The WordPress.com stats helper monkeys prepared a 2012 annual report for this blog.
Here’s an excerpt:
600 people reached the top of Mt. Everest in 2012. This blog got about 4.600 views in 2012. If every person who reached the top of Mt. Everest viewed this blog, it would have taken 8 years to get that many views.
Het is alweer 51 weken geleden. Ik stap uit het gondeltje, werp mijn gehuurde ski’s met gemaakte nonchalance in de sneeuw en stamp verwoed met mijn skischoenen op de iets te strak afgestelde bindingen. Na zes keer stampen hoor ik de verlossende klik. De zon schijnt, er ligt sneeuw en mijn ski’s zijn geslepen en gewaxt; niets staat mij in de weg om geruisloos van de helling te suizen.
Ik zet af en glijd zachtjes richting het dal. Daar komt de eerste bocht. Verrast voel ik mijn benen de bocht nemen. Ze weten zich blijkbaar te herinneren hoe dat moet, terwijl ze toch 51 weken druk in de weer zijn geweest met andere dingen.
Niet alleen elk jaar ben ik verwonderd en een beetje angstig als ik bovenaan de piste sta. Ook iedere ochtend, na de lunchpauze en zelfs na een lange rit omhoog met de stoeltjeslift bekruipt mij het gevoel dat ik het ineens niet meer kan. Dat mijn lijf compleet vergeten is hoe het moet skiën, dat ik ben overgeleverd aan de hellingsgraad van de berg en de weerstand van de sneeuw.
Elke afdaling is anders, elke dag, ieder uur opnieuw. Ook al kom ik inmiddels voor de vijfde keer in Serfaus (Tirol, Oostenrijk), de afdalingen vervelen mij nooit, omdat de sneeuw altijd anders is. Er zijn hellingen met harde, aangevroren sneeuw: als je eroverheen skiet, hoor je een schrapend geluid, alsof je aan het snowboarden bent (en dat wil je natuurlijk niet). Je ski’s willen eigenlijk wegglijden, maar het oppervlak biedt net teveel weerstand om te hard te gaan. Hier en daar ligt wat losse sneeuw die extra grip biedt bij het draaien van een bocht.
Het is deze week nogal warm, dus zijn sommige pistes bedekt met zachte sneeuw, niet te verwarren met papsneeuw. Deze sneeuw ligt redelijk los en zolang er niet teveel overheen geskied wordt, is de sneeuw prima. Je ski’s glijden er rustig doorheen en maken een geluid van scheurende servetjes. Aan het einde van de dag echter komen deze pistes vol te liggen met grote hopen en diepe geulen. De hopen sneeuw zijn aan één kant afgevlakt en de geulen zijn te smal om het een echte buckelpiste te noemen. Hoogst onaangenaam.
Natuurlijk is er ook papsneeuw, zeker in het dal waar de temperatuur soms rond de tien graden schommelt. Papsneeuw remt af, papsneeuw klinkt als je slissende oma, papsneeuw is als slushpuppy: na één slok heb je er al genoeg van.
Op sommige hellingen waait een stevige wind. Die wind zorgt voor stuifsneeuw. Op de stukken waar de sneeuw naartoe waait, heb je de ervaring van ‘finsterschnee’: mooie, losliggende sneeuw die opwolkt in de bocht. Daartussen glijd je over ijsplaten waar het credo ‘gewoon laten gaan’ lijkt te gelden.
Ach, er zijn zoveel soorten sneeuw. Ik zal u niet vermoeien met een volledige opsomming. Mij verbaast het in ieder geval niet dat de Inuït hiervoor wel vijftig namen schijnen te hebben. Ikzelf heb meerdere benamingen voor mijn skikunsten: afhankelijk van de sneeuwsoort en de hellingsgraad voel ik me de koningin van de piste, de nonchalante allrounder, nogal een beginner of een grote kluns.
Geef mij dus maar een vlakke, goed geprepareerde piste met relatief verse sneeuw. Dan suis ik naar beneden als een straaljager en doen mijn benen moeiteloos hun werk. Op dat moment, met de zon op mijn snuit, is skiën voor mij het ultieme geluk.
Na het heftige verhaal over mijn vader leek geen enkel blogje interessant of belangrijk genoeg om geschreven te worden. Tot nu, tot vandaag. Het is nodig om weer iets te schrijven dat ons herinnert aan de onbenulligheid van alledag.
Lief en ik doen onze boodschappen meestal bij de grootste kruidenier van Nederland. Je ontwikkelt daarin zo je vaste gewoontes. Lief rijdt met het karretje en blijft altijd even hangen onder de ventilator waaruit warme lucht komt. Ik mik met regelmatige tussenpozen producten in het wagentje. Soms gebeurt dat totaal systematisch met behulp van mijn ‘Appie-app’ boodschappenlijstje en op andere momenten moet ik in de winkel nog denken en peinzen en val ik terug op dinerclichés, zoals pasta-met-rode-saus en wraps-met-kip-en-appel. De route ligt vast. We rijden via het schaaltje met gevulde koek en langs het plankje met blokjes kaas. Indien nodig maken we een extra lus, vooral rond etenstijd.
Appie maakt het ons niet altijd gemakkelijk. Na ‘de grote verbouwing’ heb ik zeker drie weken verdwaasd rondgereden en me enorm geërgerd aan de verplaatste doperwten, de eindeloze glazen vitrines en dat belachelijke zelfscannen. Welke gek heeft bedacht dat zelf scannen tijd oplevert? Het kost tijd! Je moet al je bananen zelf afwegen, speuren naar streepjescodes en als de rode lamp op het betaalapparaat gaat branden, dan word je gecontroleerd als een crimineel. Neehoor, mij foppen jullie niet. Zelf scannen is een bezuinigingsmaatregel. Zelf scannen betekent minder caissières om gezellig een babbeltje mee te maken. Is dat wat Appie wil?! Een supermarkt vol bliepende boodschappenzombies?
En dan nog iets. Albert Heijn is blauw. In alles. Logo, schortjes, karretjes. Geen flauwekul. Loop ik laatst door de winkel lijkt alles ineens groen te worden! Ik snap dat Appie een biologisch-dynamisch diervriendelijkheidsoffensief moet voeren na alle commotie over die plofkip, maar je kunt te ver gaan. Als ik groen wil zien, dan ga ik wel naar het bos.
Tot slot. Heel af en toe, als het echt niet anders kan, ga ik naar een andere Albert Heijn. Je zou zeggen dat dat geen problemen moet opleveren, want al die supermarkten zijn ingericht door dezelfde marketingbewuste ‘designer’, dus de doperwtjes en de kaasplankjes staan keurig op hun vaste plek. Nou, lieve lezers, Dat Is Dus Niet Zo. Er bestaan namelijk rechts- en linksdraaiende Appie Ha’s. Mijn eigen Appie Ha is linksdraaiend. Je komt rechts binnen, je maakt twee keer een bocht naar links en dan sta je weer buiten.
Kom je als linksdraaiende huisvrouw een rechtsdraaiende supermarkt binnen, dan is het net of je rechtstreeks vanuit de draaiende kookpotten van Monsieur Cannibal over het slappe koord wilt gaan lopen. Dat lukt dus niet hè. Strompel je daar totaal verdwaasd met je scanner door de gangen. Alsof dat tijd oplevert! Dat Appie H. dáár dus eens wat aan gaat doen in plaats van dat verbouwen en vergroenen. Tijdbesparing. Grmpf. Prutsers…
Eerder schreef ik op mijn blog al over mijn vader: de sportieve, hardwerkende, stoere papa die energie had voor tien en waardoor wij, als kinderen, voorzien werden van een ‘held aan huis’.
Zondagavond zag ik in de TV-show bij Ivo Niehe de ware reden van de deelname van prinses Maxima aan de Amsterdam City Swim: een zwemwedstrijd in de Amsterdamse grachten om aandacht te vragen voor de ziekte ALS. Prinses Maxima en prins Willem-Alexander zijn bevriend met Weert-Jan Weerts. Hij is ALS-patiënt en al zijn vrienden hebben de Amsterdam City Swim georganiseerd.
Papa en mama keken deze uitzending van de TV-show ook en niet voor niets. Mijn papa heeft PSMA, een ziekte die sterk lijkt op ALS. PSMA is iets minder heftig en veel zeldzamer. Er zijn in Nederland ongeveer 2000 patiënten met ALS en ongeveer 200 patiënten met PSMA.
De motorische zenuwen die papa’s spieren moeten aansturen, geven steeds minder signaaltjes af, waardoor zijn spieren steeds verder verlammen. Het lijkt erop dat hij deze ziekte al heeft sinds 2000, maar de precieze startdatum is onduidelijk. Omdat hij ook al artritis psoriatica had, bleven de klachten die veroorzaakt werden en worden door de PSMA lang onderbelicht. Het feit dat hij al jarenlang erg vaak ongecontroleerde spierspasmen en krampen had in zijn spieren, was de dokters blijkbaar niet opgevallen. En zelfs toen mijn vader hen erop wees, gingen er geen alarmbellen af.
Papa is een doener: gymleraar, voetballer, klusser, tuinman en kindervriend. Gek genoeg heeft het leven een programma voor hem in petto dat het een doener niet gemakkelijk maakt. Eerst was daar de psoriasis: vooral zijn handen hadden te lijden onder het heftige exceem. Ook de rest van zijn huid is aangetast; na een bezoekje van pap moet ik altijd even de bank opnieuw stofzuigen, omdat hij zoveel huid ‘verliest’. Daarbij kwam de artritis; de ontstekingen van zijn gewrichten zorgden voor veel pijn en mobiliteitsverlies, vooral in zijn handen. Zijn knokkels raakten aan de lopende band ontstoken en ook zijn voeten en zijn knieën bleven niet buiten schot. Om de artritis tegen te gaan, krijgt papa zware ontstekingsremmers die ervoor zorgen dat zijn huid erg dun wordt. Drie keer raden… Deze huid was al niet zo stevig en nu ontstaat er al een winkelhaak als hij zich aan een teddybeer stoot. Hé, maar mijn vader hoor je niet klagen. Een zeurpiet is hij nooit geweest.
Toch was het raar dat die twee vingers aan zijn rechterhand steeds minder ‘gingen doen’. Dat kon toch niet door de artritis komen? Inmiddels kennen we de verklaring. Niet de artritis psoriastica zorgt voor de verlamming, maar de PSMA. En nu we de diagnose kennen, zien we ook de symptomen veel beter. De kracht die papa heeft in zijn handen, neemt zienderogen af. Met zijn rechterhand kan hij, op dit moment, de krant niet uit de brievenbus halen. Met een mes een boterham snijden is een bijna onmogelijke opgave en het optillen van een flesje bier doet hij met twee handen. Onlangs viel hij van een trapje zonder dat hij er controle over had. En als hij valt, ligt zijn huid compleet open vanwege de psoriasis.
Geen opwekkend verhaal, nietwaar? Nee, dat vind ik ook niet. Het heeft dan ook lang geduurd, voordat ik erover kon schrijven.
Maar nu ik weet dat er nog zoveel onbekendheid is met deze ziekte vind ik toch dat dit verhaal, ons verhaal, aandacht verdient. Papa werkt mee aan alle onderzoeken naar deze aandoening. Tijdens zijn eigen onderzoek in het UMC moest hij 67 buisjes bloed afgeven. Ongeveer dan. Met slecht 100 tot 200 patiënten is er geen grote database waaruit je gegevens kunt putten. Op de site www.alsonderzoek.nl kun je de resultaten van het onderzoek nakijken. De doktoren weten nog niet veel.
En hoe is het met hem? Ik zei het al: papa klaagt niet. Bijna klinisch – zo’n voormalig gymleraar blijft toch geïntrigeerd door het menselijk lichaam – laat hij aan mij zien wat hij wel en niet kan met zijn handen; welke trucs hij toepast om toch de handelingen uit te voeren die hij wil. Alles wat hij kán, doet hij. Alles is therapie, zegt hij zelf. Hij lijkt positief en optimistisch te blijven. Mama ook. Meestal.
Maar we lijden ook. De gedachte aan de toekomst maakt ongerust en bang. Er is ongelofelijk veel om je zorgen over te maken en ineens snap ik wat mensen bedoelen met ‘leven bij de dag’. Dus dat doen we. Leven bij de dag.
Na 10 bezoekjes aan Grieken-land verveelt het Griekse eten me nog altijd niet. Als ik daar ben, eet ik elke dag een Griekse salade (choriatiki) en een bordje tzatziki met brood. Dat brood alleen al, hmm, daar zou je een logje over vol kunnen schrijven, maar dit logje heet niet voor niets het tzatziki-mysterie en dan moet je niet ineens gaan lopen zeuren over brood. Afgelopen week was ik op Zakynthos. Waarom zou je immers thuisblijven, als je je herfstvakantie ook in Griekenland kunt doorbrengen? Gewoontegetrouw bestelde ik ook dit jaar weer een bordje tzatziki voor de lunch en eentje als appetizer voor het diner. En ineens viel het me op. Je-Krijgt-Altijd-Te-Weinig-Brood-In-Verhouding-Tot-De-Tzatziki. Daarna zijn er twee mogelijkheden: je bestelt brood bij of je eet de tzatziki ‘rauw’. In het tweede geval komt de knoflook je dan ‘s nachts wel erg de neus uit. En hiermee is het mysterie nog niet voorbij.
Je krijgt bovenop die tzatziki ook altijd slechts één olijf. Ja, hallo! Wij zijn met z’n tweeën! We willen allebei een olijf en we willen er geen ruzie om maken. Misschien denkt u, een olijf, overdrijf niet zo, zo doe je toch ook niet bij het kersje op de appelmoes bij Van de Valk? Nee, natuurlijk niet. Duhuh. Dat kersje is goor! Je weet niet op hoeveel appelmoezenbakjes het al heeft gelegen! Maar olijven zijn lekker! Te weinig brood, een olijf te weinig. Het moet wel een complot zijn.
Ik kom toch nog even terug bij de tzatziki. Brood bijbestellen, de tzatziki ‘rauw’ opeten; er is nog een derde mogelijkheid. Je kunt ook een bergje tzatziki laten liggen. Dat is voor mij uiteraard geen optie. Nog afgezien van het feit dat ik heb geleerd dat je altijd je bord moet leegeten, is dat goedje ook véél te lekker. En deze redenering brengt mij bij de moraal van dit verhaal. Wat kan ik van het tzatziki-mysterie leren?
Deze week las ik via Twitter een bericht over de ‘50 Terrific Productivity Secrets of the Rich & Famous‘. Een beetje productiviteit kan nooit kwaad, dus ik las alle 50 tips nauwkeurig door. Het meest was ik geboeid door Secret #10: Finish what you start.
Writer, actor, director, and producer Tyler Perry may be in a creative field, but he knows a thing or two about business and being productive, too. One of his tips for small business owners is to finish what you start. Instead of getting distracted and moving on to the next thing, this method will allow you to follow through and make the most of the work you’ve already put into something.
Wat zou ik enorm gebaat zijn bij deze tip, maar wat is ie ongelofelijk moeilijk op te volgen. Ik begin vaak met duizend en één dingen, maar afmaken ho maar. Zelfs de afwas doe ik in etappes. Het glaswerk – een rondje lopen – de borden – even m’n mail checken – het bestek – snel de was ophangen. Zo duurt hij eindeloos!
Het geeft juist zo’n bevrediging als je kunt zeggen: dit is klaar. Ik heb er geen omkijken meer naar. De afwas is dan maar een klein voorbeeld, maar wat zou het heerlijk zijn als ik ook m’n andere klusjes in één ruk af zou afronden.
Hiermee is mijn tzatziki-mysterie opgelost. Het is een les! Ik laat nóóit een bergje tzatziki liggen, ondanks obstakels, zoals het ontbrekende brood. Laat ik hieraan denken als ik weer eens dreig af te dwalen van een taak die ik eigenlijk moet afmaken. Ook als het een taak is met een kers in plaats van een olijf.